top of page

Mijn reden om spiritualiteit te gaan onderzoeken

Een kennismaking met mijn leven in vogelvlucht. Mijn afkomst en mijn pad. Zodat je een beetje weet wie jou de les leest :-) maar vooral waarom ik 'in het spirituele ben gedoken. 

 

In 1955 werd ik als dochter van een liefdevolle mijnwerker, een overbezorgde huismoeder en als zusje van een zeven jaar oudere broer, in Zuid Limburg geboren. We waren met z’n viertjes, al hadden net zo makkelijk groot gezin kunnen zijn, want mijn ouders werden geconfronteerd met meerdere doodgeboren kindjes en miskramen.

 

In de vakanties deden we meestal wekenlang woningruil met familie uit Den Haag en Scheveningen. Paps ging twee weken mee en buiten zijn vakantietijd was hij in de kost bij familie in de buurt.

Ik kan me heel goed herinneren dat ik als vijf- of zesjarige voor het eerst naar de zee ging. Mijn ouders hadden me wekenlang voorbereid op de grootsheid en weidsheid van de zee. Wat was ik boos toen ik die bruine modderpoel voor het eerst zag. Het was helemaal niet blauw en zo groot. Wat ik kon zien was een smalle streep bruin water. En die golven waren klein, kabbelend en ongevaarlijk. Ze hebben gekletst als Brugman om mij te laten geloven dat er achter de horizon nog steeds zee was met grote golven.

Verspilde moeite.

 

Mijn schooltijd was een prettige tijd. Met mijn vriendinnetje ondernam ik alles, zoals koorddansen op de waslijnen, het opzetten van een eigen geheimschrift, het opzetten van een dierenhospitaal bij haar oma op zolder, het timmeren van barbiepoppenhuizen van afvalhout (geholpen door paps), tenten bouwen van schone, keurig gestreken lakens (geholpen door mams, die altijd wat extra’s aan lekkers tevoorschijn wist te toveren). Wij maakten prinsessenkleren van oude gordijnen en vitrage, die we ophaalden door langs de deuren te vragen of mensen nog wat hadden liggen en gek genoeg krégen we die lappen ook nog! We trapten ons het mikmak op de oude Pfaff naaimachine om alle naden aan elkaar te stikken. Paps hielp met het maken van puntmutsen, zwaarden, vliegers en hoepels. Klasje spelen met een rits poppen.

Ik speelde graag bij mijn vriendinnetje thuis. Zij had vijf zusjes en het was altijd een gezellige boel daar. Ik mocht altijd mee-eten zonder te vragen, gewoon een ‘unne teller en vesjet (bord en vork)’ uit de kast pakken. Bij mij thuis mochten we juist zelf koken van mam.

Na het zien van een voorlichtingsfilm op school, waar we toen overigens niets van snapten, gingen wij wél op zoek naar knuffelige kuikens die uit een (bevrucht) ei komen. Eerst werd dat een doos met rottende eieren voor de kachel. Later vonden we echte kuikens, waardoor haar en mijn ouders plots kuikens dus toekomstige kippen in huis hadden. Zij en ik spraken af; om samen naar de kunstacademie te gaan. Wij worden architect en samen maken we de mooiste huizen en bouwen we vooral kastelen. (was dat de basis van mijn kastelen-tic?)

 

Slapen gaan was een ramp. Ik sliep pas als de hele familie naar bed gekomen was. Tot die tijd lag ik wakker in bed met de lampen van de gang volop aan. Werd er ’s avonds wat gegeten, dan stond ik natuurlijk wel als eerste bij de borden, lekkerbek als ik was.

Doordat ik vaak ziek was en ijlde, zag ik dingen. Of zag ik dingen omdat ik toen al dingen zag?

 

Ik heb me mijn hele jeugd ‘anders’ gevoeld. Op de een of andere manier paste ik niet in het plaatje. Het feit dat ik altijd ruim op de Limburgse mode voorliep, omdat mijn moeder de Amsterdamse randstadmode voor mij volgde, zal niet echt geholpen hebben. Ik liep als eerste in een lila combinatie van trui, sjaal, wanten en astronautenmuts. Of met rijglaarsjes. Of met welke nieuwe randstad mode dan ook, terwijl de rest van Limburg pas een jaar later lila en rijglaarsjes ontdekte.

Was het snoeven? Nee. Mijn ouders waren enorm dankbaar, blij en trots op hun kinderen en dat wilden ze iedereen laten zien door ons mooi te maken.

Pas decennia later hoorde ik van het begrip Nieuwetijdskinderen en vond veel herkenning.

 

Toen ik elf jaar was gingen mijn ouders scheiden. Mijn achttienjarige broer en ik bleven bij mijn vader wonen. Ondanks of juist dankzij het verdriet, een heerlijke saamhorige periode; we werden zes handen op één buik. Na twee jaar hertrouwde mijn vader en werd het gezin uitgebreid met stiefmoeder, drie stiefzusjes en een niet bij ons wonende stiefbroer. Het was een gezellige boel, al waren er veel onderhuidse strubbelingen door het samen voegen van twee gezinnen in een veel te klein huis. Mijn gehoopte opleiding zat er om financiële redenen helaas niet in.

 

Kortom, ik heb een prima jeugd gehad. Geen wanklank, geen trauma’s? Nee, niet echt, hooguit een paar flinke blauwe plekken.

 

Op mijn zestiende vertrok ik vanuit Limburg naar Amsterdam om met mijn moeder samen te gaan wonen.

Ook mijn moeder hertrouwde, met een ‘recht voor zijn raap’ ras Amsterdammer, een schat van een man. En, ik krijg er nog een stiefbroer bij.

Wonend in Amsterdam zette ik de eerste wankele stappen in mijn liefdesleven. Mijn werkloopbaan begon bij een stoffenwinkel, toen op kantoor bij valuta handelaren en disconto makelaren, om via diamant uitsorteren (loepen) op kantoor bij een loodgietersbedrijf te komen. Daarna ging ik via een uitzendbureau werken en wist op te klimmen telefoniste tot directiesecretaresse.

En ik ging op dansles om nieuwe vrienden en twee hartsvriendinnen te maken.

 

Nachtelijk bezoek

Als op mijn zestiende mijn oma komt te overlijden begint het gedonder. De avond voor haar begrafenis heeft mijn moeder iemand te logeren die (in mijn kamer) blijft slapen. Het gesprek gaat de hele avond over oma en ik hoor dingen die ik nooit geweten heb. Hoe paranormaal ze was, hoe geweldig ze de kaarten kon leggen en dat al haar voorspellingen uitkwamen. Hoe zij als medium twee moorden op wist te lossen. Dat zij altijd met dingen bezig was die ‘anders’ waren.

Ik heb als kind nooit echt contact met haar gehad. Ze leek altijd heel nors, nukkig en ik ben altijd bang voor haar geweest. Ze was beslist geen gezellige doe of knuffel oma. Het feit dat ik opa’s lievelingetje was en opa mijn super held was, zal er niet toe hebben bijgedragen om dikke maatjes met haar te worden. Of kende zij mijn pad en wist zij dat ze me niet kon helpen? (ze heeft altijd gezegd dat ik een kind zou krijgen van een getrouwde man. Klopt, ik heb een stiefzoon)

Toen we gingen slapen lag ik, dankzij de logé in de huiskamer. Voor het eerst zag ik dingen bewegen, voelde ik een aanwezigheid van iets en voelde ik een onverklaarbare wind. Het was de eerste van heel veel keren. Ik zei hierover niks tegen iemand, bang dat ze me als gek zouden bestempelen.

 

Als een paar maanden na oma daarna mijn opa komt te overlijden en ik (zijn oogappel) een zeegezicht van hem in mijn gehuurde kamer aan de Prinsengracht ophang had, is het die nacht helemaal bal met spooky dingen die gebeuren en ik niet verklaren kon. Ik deed die nacht geen oog meer dicht en mocht gelukkig vanaf dan wekenlang bij de moeder van mijn vriendin slapen.

Het was vanaf die tijd dat ik met zeer grote regelmaat ’s nachts ‘bezoek’ kreeg en ik op de rand van hysterisch bang was.

 

In 1979 leerde ik mijn latere man kennen. In hetzelfde jaar werd ik op straat overvallen door de eerste aanval van hyperventilatie en ik dacht dat ik doodging. Die aanvallen maakten uiteindelijk dat ik twee jaar lang met een straatfobie binnen zit. Daarna gaat het wel redelijk met mij maar ik bleef een bang, naïef vogeltje met gebroken vleugels. Overdag bang voor de grote boze wereld, ’s nachts voor de schimmen die aan mijn bed verschenen, dingen verplaatsten, lampen lieten knipperen, deuren die open en dicht gingen.

Dus bleef ik bij mijn toekomstige man en elke keer als ‘ze’ ’s nachts aan mijn bed stonden kroop ik bijna in hem om bescherming te zoeken. Als er een reden was waarom hij ’s nachts niet thuis was, dan sliep ik bij vriendinnen of bij zijn ouders.

 

In 1980 ik besloot een psycholoog te raadplegen. Op verwijzing van de huisarts kwam ik bij het psychiatrisch ziekenhuis, de Valerius Kliniek in Amsterdam. Toen ik tijdens de intake vertel over mijn angsten, over de schimmen, over wat er gebeurde ’s nachts, werd er terstond een heel team bij elkaar geroepen. Het een-op-een gesprek werd voortgezet in de groep. Ze stelden een opname voor, ik bedankte vriendelijk en zette nooit meer een voet over de drempel; ik ben wel bang maar niet gek! Althans niet gekker dan de gemiddelde Nederlander. Het gevolg was wel dat ik helemaal niemand meer over de nachtelijke bezoeken durfde te vertellen.

 

Ik ga trouwen en hoop op een schare kinderen. Helaas blijven wij ongewenst kinderloos.

In 1991 ben ik in Ermelo mijn eigen bedrijf begonnen: Carla’s Company. Een directe verkoop organisatie waarbij op de top 85 vrouwen en enkele mannen voor mij door het hele land werkte en wij met 4 vrouwen op kantoor zaten. Ik importeerde voorgevormde katoenen luiers (Indisposables) vanuit Canada en aanverwante producten uit Europese landen, voornamelijk Duitsland. 5 jaar lang stond ik op de Negen Maanden Beurs. Het eerste jaar op 12 m2 en samen met mijn man en één vriendin. De laatste keer op 50m2 met dagelijks een team van 12 vrouwen. Een geslaagd leven dus. Maar mijn angsten bleven en daarmee ook mijn onzekerheid.

 

Hoepel op!

De grootste omschakeling in mijn leven kwam nadat ik met een vriendin in het bos liep en haar schoorvoetend vertelde over de nachtelijke schimmen en mijn enorme angst hiervoor.

Verbaasd hoorde ze me aan en zei ‘Dan stuur je ze toch weg!’

‘Hé?’

‘Door gewoon te zeggen ‘Ga weg’! Gaan ze weg, althans, dan zie of voel je ze niet meer.’

‘Je wilt zeggen dat ik al twintig jaar doodsangsten uitsta en dat alles wat nodig is om het te laten ophouden ‘Ga weg, hoepel op!’ is?’

‘Ja, zo simpel is het’.

En zo simpel wás het.

Schimmen, als die nog kwamen, stuurde ik weg. Ik sprak af dat ik overdag op seintjes zou letten, maar dat ‘ze’ ’s nachts zouden wegblijven.

Toen mijn angst verdween, verdween de noodzaak om in mijn huwelijk te blijven. Op mijn veertigste besloot ik, ongewenst kinderloos, in 1995 te gaan scheiden.

 

In 2001 ben ik bij mijn 2e partner in Grubbenvorst gaan wonen. Toen hij in 2006 te ziek was om zijn bedrijf De Gildeslijter* te runnen, heb ik dat tezamen met de secretaresse, externe reclameman, accountant en ICT’er overgenomen. (* een franchise onderneming van 150 slijterij waar de marketing en reclame acties voor gedaan werd.) Carla’s Company is door alle drukte in het slop geraakt en ik stop uiteindelijk daarmee.  

Na zijn overlijden in 2008 ben ik terug gegaan naar Ermelo en heb nog een tijd op kantoor gewerkt. Maar ik heb vooral mijn tijd gebruikt om het woordenboek te schrijven waar ik het al jaren over had. Op de website kun je op meerdere plekken lezen hoe dat gegaan is. En ben ik op allerlei manieren ‘met mezelf aan de slag gegaan’ en heb me op vele spirituele vlakken weten te ontwikkelen. Daardoor durf ik nu ook mijn kennis aan te bieden.  

 

Inmiddels ben ik gepensioneerd en drukker dan ooit 😊

bottom of page